Een gewone aandelenbelegger heeft één manier om gelijk te krijgen: het aandeel dat hij koopt moet stijgen. Een long/short-fonds heeft er twee. Het koopt de bedrijven waarvan het denkt dat ze te goedkoop staan, en het verkoopt tegelijk bedrijven waarvan het denkt dat ze te duur staan — zonder die eerst te bezitten.
Dat tweede is het onderdeel dat uitleg vraagt, want het is contra-intuïtief.
Hoe je iets verkoopt dat je niet hebt
Bij een shortpositie leent de beheerder de aandelen van een partij die ze wel bezit, verkoopt ze meteen op de markt, en koopt ze later terug om ze aan de uitlener te geven. Daalt de koers tussendoor, dan koopt hij goedkoper terug dan hij verkocht en is het verschil zijn winst.
Drie dingen die daarbij horen en die de risico’s van deze kant bepalen:
- Lenen kost geld. De beheerder betaalt een leenvergoeding, en juist bij de aandelen waar iedereen tegelijk op short wil, loopt die op.
- Het verlies kent geen bovengrens. Een gekocht aandeel kan hooguit naar nul, dus u kunt niet meer verliezen dan uw inleg. Een aandeel waarop u short zit kan blijven stijgen, en dan loopt het verlies door.
- De uitlener kan zijn stukken terugvragen. Gebeurt dat op een ongelukkig moment, dan moet de positie gesloten worden terwijl de koers tegenzit.
Wat het fonds ermee wil
Twee dingen tegelijk, en het is nuttig ze uit elkaar te houden.
Rendement uit selectie in plaats van uit richting. Als de beheerder twee vergelijkbare bedrijven kiest — het ene koopt hij, het andere shortet hij — dan verdient hij als hij gelijk heeft over wélk van de twee het beter doet, ook als de hele sector daalt. Zijn oordeel wordt de rendementsbron, niet de markt.
Minder gevoeligheid voor de beurs. Wie voor honderd long zit en voor veertig short, heeft netto zestig aan marktgevoeligheid in plaats van honderd. Zakt de beurs, dan zakt het fonds meestal minder mee.
Die twee getallen heten de bruto- en de nettopositie, en ze vertellen samen meer dan welk rendementscijfer ook. Bruto (long plus short) laat zien hoeveel er in totaal aan het werk is — bij honderd long en veertig short is dat honderdveertig, dus er staat meer uit dan er is ingelegd. Netto (long minus short) laat zien hoeveel beursrisico er overblijft. Vraag beide, en vraag hoe ze door de tijd bewegen: een fonds dat zijn netto stil van dertig naar tachtig laat lopen, is iets anders geworden dan waar u in stapte.
Wat het niet is
Het is geen marktneutraal fonds. Daar wordt de netto-positie bewust rond nul gehouden; bij een klassiek long/short-fonds is hij doorgaans positief, en dan beweegt het fonds gewoon mee met de beurs — minder heftig, maar wel dezelfde kant op. Marktneutrale strategieën legt dat verschil uit.
En het is geen bescherming tegen een crash. De shortkant dempt, maar in een echte paniekdaling gaan goede en slechte bedrijven vaak samen omlaag, waardoor precies het onderscheid verdwijnt waar deze strategie van leeft.
Waar het misgaat
Het klassieke faalpatroon heeft een naam: een short squeeze. Zit een groot deel van de markt short op hetzelfde aandeel en begint dat te stijgen, dan willen al die partijen tegelijk terugkopen — wat de koers verder opdrijft, wat meer partijen dwingt te sluiten. Wie dan uit moet, doet dat op de slechtst denkbare prijs.
Daarnaast: de longkant en de shortkant kunnen tegelijk verkeerd uitpakken. Dat is geen dubbele pech maar een reëel scenario, want vaak zit achter beide kanten dezelfde gedachte over wat er in de wereld gebeurt.
Wat u aan een beheerder wilt vragen staat in het manager-gesprek voorbereiden. De risico’s die deze hele familie strategieën deelt, staan in de risico’s van hedge-strategieën; wat is een hedgefonds plaatst long/short in het bredere veld.